30/03/2009

Sinds we aan de Lagonda sleutelen, gaat er een wereld voor ons open. Een wereld van ambachtelijke bedrijfjes, oude winkeltjes en achteraf-fabriekjes. Want terwijl menig klassiekerbezitter zich laat oplichten door peperdure specialisten – die net zo veel verstand hebben van klassiekers als een pinguïn van vliegen – kan het natuurlijk ook anders. Als je de échte experts maar weet te vinden.

Die experts zijn er nog. Maar je moet dan op zoek gaan naar bedrijven van het soort dat je in 1931 ook zou hebben bezocht, als je destijds een Lagonda had gehad. Eeltink Veertechniek is zo’n bedrijf. Het werd ergens in de prehistorie opgericht en als we het niet bij toeval op internet hadden gevonden, wisten we nu nog steeds niet dat het bestond. Bij Eeltink zijn ze gespecialiseerd in bladveren. Nieuwe bladveren. Eelting is namelijk een hypermodern bedrijf, met een mooie nieuwe bedrijfshal en met e-mail en fax en een website en de overige rambam. Allemaal héél 2009. Niks op aan te merken. Mooi hoor, daar niet van.

Maar daar kwamen wij niet voor.

Wij kwamen voor die ene hal, helemaal achter in de Eeltink-fabriek. Die hal die je gewoonlijk niet te zien krijgt. De seniorenhal. Het domein van ‘Ome’ Leen Eeltink.

Ome Leen maken ze niets meer wijs. Hoe oud hij is? Dat durfden wij niet te vragen. Ome Leen is op leeftijd, dat is zeker, maar Ome Leen is ook dé expert op het gebied van veertechniek bij klassieke auto’s. Ongeacht welke auto het is. Een vooroorlogse Bentley, een naoorlogse Ferrari? Een Healey, een Mercedes? Als het bladveren heeft, kun je bij hem terecht.

De Lagonda waarmee wij gaan rijden, zit wat dat betreft goed in z’n bladveren: de auto heeft er vier. Heel traditioneel. Alleen zitten die veren er al sinds 1931 onder, en dat betekent dat ze slap zijn, dat er bladen zijn gebroken, ga zo maar door. De voorste bladveren waren bovendien niet even lang, hetgeen betekende dat de vooras scheef onder de auto stond. En sommige bladen hadden al scheuren.

Zoiets wil je niet onder je auto hebben op de slechte wegen tussen Peking en Parijs. En dus moesten de veren worden gereviseerd. Daarom kwamen we terecht bij Ome Leen.

Nu is bladveren reviseren ambachtelijk werk. Er komen grote, indrukwekkende machines bij kijken. En als er een nieuw blad nodig is, moeten ze dat zelf smeden. Schitterend. Dit is het soort werk dat onze opa’s deden. Mannenwerk. Zwaar, maar eerlijk. Tussendoor draaide je even een zware shag. Op vrijdagmiddag ging iedereen met de pet in de hand naar het kantoor, om het loonzakje op te halen, waarmee je linea recta naar het dorpscafé ging, om eerst eens een goede neut te drinken.

Terug in het heden moest de neut bij ons nog even wachten. Want toen we de gloednieuw opgebouwde bladveren ophaalden, en ze onder de auto wilden plaatsen, pasten ze niet. De bouten waarmee die veren vastzitten zijn een half inch dik -  omdat ze in Engeland niet aan millimeters doen – maar de nieuwe bussen waar die bouten in moeten vallen, waren juist in millimeterformaat, en dús iets te klein. Ome Leen had ons er al op luide toon voor gewaarschuwd: “DAN MOET JE ZE EEN BEETJE RUIMEN!” Hardhorigheid hoort namelijk bij het vak van senior-bladverenspecialist, begrijpt u wel. Alleen hadden wij geen ruimertje. En om zo’n duur stuk gereedschap nu extra aan te schaffen voor zo’n eenmalig klusje? Nah. Het is veel leuker om nog eens bij Eeltink langs te rijden.

Wij bellen. “WIE WAS U ALWEER?”, vroeg Ome Leen aan de telefoon.

Wij waren van de Lagonda.

“AH JA. DE VEERTJES, VAN DE LAGONDA. JA. IK VERMOEDDE AL DAT ’T EEN DUIMSE MAAT WAS. MAAR IK DORST ‘M OOK NIET TE VEEL OPRUIMEN HÈ. JA, KOMT U MORGEN MAAR EVEN LANGS.”

Nu passen de veren. Met dank aan Ome Leen. Als we in 2010 in Parijs aankomen, sturen we hem een kaartje.

Klik: foto’s van de plaatsing



Comments are closed.